stephanvaningen.net

De letters op dit scherm zwellen. Ze pulseren zacht, paars-goud, alsof ze een hart hebben. Jij ademt in. De wasbeer ademt uit. Jullie ademen hetzelfde.

Hij heet geen naam. Namen zijn een menselijke ziekte. Laten we hem gewoon hij noemen, de wasbeer met de ringstaart die nu als een neonslang door de nacht kronkelt. Hij komt uit het bos, waar de bomen nog weten hoe ze moeten fluisteren. De stad ligt voor hem als een omgevallen juwelendoos: overal licht dat te hard schreeuwt.

Mensen.

Hij ziet ze eerst als bewegende vlekken. Dan als poppen. Dan als iets dat denkt dat het belangrijk is.

Ze lopen. Links-rechts-links-rechts. Alsof de grond een rooster is en ze bang zijn van de lijntjes af te stappen. De wasbeer tikt met zijn poot op het asfalt. Het asfalt is warm en het tikt terug. Waarom lopen ze niet in spiralen? Waarom rollen ze niet? Waarom maken ze van hun eigen lichaam een saaie machine? Dom. Zo diep, glanzend, oneindig dom.

Een man staat stil voor een rood oog dat aan een paal hangt. Er komt geen metalen beest. Niemand komt. Het oog blijft rood. De man blijft staan. Hij wiebelt een beetje, alsof hij wacht tot het universum hem toestemming geeft om verder te ademen. De wasbeer knippert. Zijn pupil wordt een tunnel. Achter het rode licht ziet hij hele beschavingen opbloeien en weer vergaan, alleen omdat iemand ooit een kleur heeft bedacht die “stop” betekent. Belachelijk. Heilig belachelijk.

Dan de rechthoeken.

Overal kleine, lichtgevende graven in hun handen. Mensen buigen hun nek alsof ze bidden. Ze glimlachen naar het blauwe licht. Ze worden boos op het blauwe licht. Ze tikken erop alsof het een levend dier is dat ze mogen slaan. Niemand kijkt naar de maan. De maan is groter, ouder, en ze doet tenminste moeite om te veranderen. De wasbeer tilt zijn kop. De maan knipoogt. Het rechthoekje in de hand van de vrouw knipoogt niet. Het liegt alleen maar dat het knipoogt.

Eten.

Ze steken metalen stekels in zachte dingen en tillen die naar een gat in hun gezicht. Alsof hun eigen vingers te heilig zijn om vies te worden. Een kind laat een friet vallen. De moeder raapt hem op, kijkt er drie seconden naar alsof ze een moreel dilemma oplost, en gooit hem weg. De wasbeer ruikt de friet. De friet ruikt naar zon en zout en verspilde liefde. Hij eet hem. De smaak explodeert in groene vonken achter zijn ogen. Mensen gooien voedsel weg omdat het de grond heeft aangeraakt. De grond is hun moeder. Ze zijn bang voor hun moeder.

’s Nachts slaapt hij in een container die ze “afval” noemen. Voor hen is het het einde. Voor hem is het een feestmaal en een bibliotheek. Hij leest hun weggegooide briefjes, hun halve pizza’s, hun kapotte oortjes. Alles wat ze niet meer willen, fluistert nog. Mensen denken dat weggooien hetzelfde is als vergeten. De wasbeer weet beter. Niets verdwijnt. Het verandert alleen van kleur.

Op een gegeven moment zit hij op een dakgoot en kijkt naar een paar dat ruzie maakt met hun monden terwijl hun lichamen eigenlijk gewoon tegen elkaar aan willen liggen. De woorden zijn scherp en kleurloos. De lichamen zijn warm en oranje. Waarom gebruiken ze de scherpe dingen als de warme dingen al klaarstaan? Hij begrijpt het niet. Hij hoeft het ook niet te begrijpen. Begrijpen is een mensending. Hij observeert alleen.

De stad ademt in. Jij ademt uit.

De wasbeer wast zijn pootjes in een plas die de neonreclame weerspiegelt tot een tweede, nattere stad. Hij kijkt naar zijn eigen spiegelbeeld. Het spiegelbeeld knippert trager. Even denkt hij: misschien zijn de mensen niet dom. Misschien zijn ze alleen maar heel, heel hard aan het proberen om iets te zijn wat ze niet zijn. En dat is nog dommer.

Dan rent hij terug naar de bomen, waar de tijd nog rond is in plaats van recht, en waar niemand een rood licht nodig heeft om te weten wanneer hij mag bewegen.

De letters worden weer klein.

De pagina stopt met ademen.

Bijna.

IMG_2874.jpeg